Over exact vijftien dagen is het al weer een jaar geleden dat ik naar de kapper ging gewapend met een tekening van hoe mijn haar er zeker NIET mocht uitzien. Het resultaat was zeer goed, dus blijkbaar leek die truc wel te werken. Jammer genoeg groeit haar verder of je dat nu wil of niet. Laat ons zeggen dat ik nog een paar centimeter verwijderd ben van een Rapunzel kapsel. Toen ik deze week ontdekte dat een van de vele kappers op de Bondgenotenlaan woensdag zonder afspraak werkte, besloot ik woensdag, zijnde vandaag dus, daar eens binnen te springen.
Maar op de bus van het werk naar het station van Leuven begon het toch een beetje te wringen. “Ik wil helemaal niet naar de kapper,” bedacht ik me, “Kappers zijn stom,”. En als ik iets niet graag doe, dan doe ik het gewoon niet. Zo simpel is het. Basis principes van het Kathleen zijn. “Neen, Kathleen,” sprak ik mezelf streng toe. Ik gaf mezelf twee denkbeeldige kletsen in het gezicht en brulde: “Vervrouw jezelf en ga naar die verdomde kapper!”. Dus giechelde ik even vrouwelijk omwille van mijn innerlijke monoloog, stapte vervolgens braafjes uit aan het station, liep de Bondgenotenlaan in en vertraagde mijn pas toen ik de kapperszaak naderde. Net toen ik op het punt stond helemaal stil te gaan staan en mijn hand op de deurklink te leggen, versnelde ik mijn pas weer en liep heel snel verder. Mijn hoofd werd gevuld door een minutendurende gil. Een inwendige gil natuurlijk. Stel je voor, zo midden in Leuven. Het was een pure angstkreet.
Mjah. Ik vrees dat als niemand mij dwingt om een kapperszaak binnen te gaan, ik dat ook niet snel zal doen de komende weken… maanden… jaren… decennia. Dan te zeggen dat er freaks zijn die iedere drie weken naar de kapper gaan. Zot.